Smaak Is Een Keuze

Ik kom niet uit een heel culinair nest.

Het menu bij ons thuis bestond vroeger uit aardappels, groente, vlees. Een enkele keer bestelden we Chinees. En soms, wanneer mijn vader van huis was, aten mijn zusje, mijn moeder en ik macaroni of spaghetti.

Eten, en daarmee koken, was simpelweg iets waarvoor we ons niet zo interesseerden. Bijna alles kwam uit pakjes en potten. Groentesoep maakten we via de aanwijzingen van Honig; macaroni bestond uit snelkookelleboogjes, één ui, een pond gehakt en een zakje van de Knorr. We klopten een minuutje de Saroma door de melk en na een kwartiertje koelen was er pudding. Wat niet uit potjes kwam, werd gekookt tot het in eentje kon. Andijvie pruttelde rustig twintig minuten op het vuur.

Behalve patat was er niks wat we verschrikkelijk lekker vonden, en met uitzondering van spruiten vond ik niks verschrikkelijk vies. Eten was iets dat we tussen 17.00 en 17.30 uur deden, met z’n drieën of vieren aan tafel, de radio uit. Er was precies genoeg voor één bord vol. Daarna aten we vla.

Hun geringe belangstelling voor eten weerhield mijn ouders er niet van er opmerkelijk rigide gedachten over te hebben. In de loop der jaren hadden ze een compleet eigen norm gecreëerd die te verklaren was met logica noch smaak.

Je at wat de pot schafte, en je at het zoals het was. Mijn ouders gruwelden van sausjes. Behalve jus kwam er niks op tafel. Appelmoes was bedoeld als toetje of heel strikt als bijgerecht. Onder geen beding mocht het door de aardappels worden geprakt. Voor mijn ouders was mayonaise als een gateway drug naar volstrekte keukentafelanarchie.

De ouders van mijn vriendinnetje waren maar rare hippies: die kookten hun aardappels in de schil. Het waren ook nog eens vegetariërs, en daarom waren hun kinderen klein. Dat die ouders zelf ieder ook niet hoger kwamen dan 1.65m, was geen doorslaggevend tegenargument. Zodra ik de gril van mijn vriendinnetjes vegetarisme over dreigde te nemen, gooiden mijn ouders thuis het gourmetstel aan.

Een enkele keer werden de minder geliefde groenten bij ons thuis wat opgefleurd. Dan drapeerde mijn moeder een paar plakken kaas over de gekookte bloemkool en zette ze het geheel een minuut of zes in de magnetron.

Maar voor het eten van spruitjes was er lange tijd geen genade.

Volgens mijn vader was het niet zo dat mijn zusje en ik geen spruitjes “lustten”; het was allemaal psychisch, het gevolg van wat ons op het schoolplein was aangepraat.

Smaak, zo werd mij duidelijk, was een keuze.

“Ik was vroeger dol op spruitjes,” zei mijn moeder. “Ik jatte ze zó uit de pan.”

“Ik niet,” zei mijn vader. “Ik vond er niks aan. Maar ik at ze wel.”

“Rapies,” zei mijn moeder. “Dát vond ik smerig.”

“Oeh, rapies,” zei mijn vader. “Dat was inderdaad echt niet lekker.”

Ze lachten, huiverend bij de herinnering, keken naar mij en mijn zusje, en verstomden.

Niet lang daarna hadden we raapstelen als diner. Mijn ouders staarden zwijgend voor zich uit, namen happen met lange tanden.

“Ik vind het niet zo lekker,” zei ik. Mijn moeder knikte.

Het kwam nooit meer terug op tafel.

Mijn oom, die regelmatig bij ons logeerde en die allerlei culinaire inspiratie opdeed tijdens zijn lange motortochten door vreemde landen of tijdens etentjes bij een andere Aziaat dan de Chinees, wilde ons op een dag bedanken voor onze gastvrijheid met een groot, zelfgekookt maal. Mijn ouders, mijn zusje en ik protesteerden uitgebreid: we kenden het land van zijn gerecht niet, we gebruikten zelf ook nooit kruiden, we lustten geen pittig.

“Dit is niet pittig,” zei mijn oom.

We inspecteerden de ingrediëntenlijst van de saus die hij speciaal had meegebracht en somden op wat we daarvan allemaal niet vertrouwden.

“Jullie vinden het hartstikke lekker,” zei mijn oom. Hij draaide druk rondjes door de keuken, trok alle lades en kastjes open op zoek naar dingen die we niet hadden.

“Het wordt wel een beetje anders dan de bedoeling was,” zei mijn oom.

“Geeft niks,” zeiden wij.

Later dan gebruikelijk gingen we aan tafel. Mijn oom legde uit wat hij had gekookt en benadrukte dat het heel lekker was. Wij vroegen of het niet te pittig was. Mijn oom zei dat het niet pittig was.

“Voor mij eerst een klein beetje, hoor,” zei mijn moeder.

“Ik hoef niet zoveel saus!”, riep ik.

“Wat zit er in die rijst?”, vroeg mijn vader. “Niks? Doe mij dan maar wat extra rijst.”

Ik weet niet meer wat het was. Misschien een Indiase curry, of iets Marokkaans. Wel herinner ik me het beeld van mijn moeder, die met volle mond en met de tranen in haar ogen naar adem zat te happen, waarna ze haar hoofd wegdraaide, met de hand op haar hals slikte, een moment rustte, zich terugdraaide naar mijn oom en zo opgewekt mogelijk zei: “Lekker, hoor.”

Nog diezelfde avond waren we allemaal – mijn oom uitgezonderd – aan de diarree.

Toen ik op mijn zeventiende op kamers ging in Utrecht, woog ik 54 kilo. Binnen een halfjaar was dat opgelopen tot 60. Ik ontdekte nieuwe smaken (uit andere pakjes), at bij elke gelegenheid die ik kreeg en had geen idee van hoeveelheden.

Een van mijn eerste zelfgekookte maaltijden was een pan nasi. Klaargemaakt zoals ik dat kende van thuis: met gehakt en aardappels. Ik wist niet hoeveel rijst normaal was voor één persoon, maar ik had honger, dus voor de zekerheid gebruikte ik het hele pak. Om mijn eigen draai aan het gerecht te geven, deed ik er ook nog een maïskolf bij.

Op mijn kamertje aan de Leidseweg maakte ik een foto van de maaltijd zodat ik mijn ouders kon laten zien hoe zelfstandig ik al was.

Dit is die foto.

Dit is die foto.