Saigon
“You want taxi, sir?”
“No thanks.”
“Where you go?”
“I'm going to have a cigarette.”
“You go to hotel?”
“No.”
“You want taxi?”
“No, I want cigarette.”
“I drive you sir, yes?”
“No.”
“Where you go?”
Misschien was het toch niet zo’n goed idee om bij aankomst niet linea recta naar ons hotel te gaan. Nu zijn we, van de stroom passagiers die zojuist de aankomsthal van Tan Son Nhat International Airport heeft verlaten, de laatst overgeblevenen. Waar de rest meteen op zoek ging naar een taxi, een bus of familie, hebben wij besloten om éven rustig aan te doen. Even bij te komen.
Onze rookplek, net buiten het vliegveld van Saigon, lijkt wel een oefenlocatie voor geheim agenten. Om ons heen verzameld staan mannen naar hun telefoons te staren, of naar de krant, of naar een verte; zonder te zien waar ze naar kijken, maar zonder ook maar iets te missen van wat er in hun ooghoeken gebeurt.
Ik durf alleen nog maar naar Bert te kijken, en hij naar mij. Elk woord, elke beweging is voor de mannen reden om uit hun rol te vallen – het optillen van mijn tas veroorzaakt een complete groepschoreografie. Als een overenthousiaste Waldo die het spelletje niet begrijpt, springt er, elke keer als ik om me heen kijk, een zwaaiende Vietnamees in m’n blikveld.
Bert likt zijn shaggie dicht. De lucht tussen ons wordt direct doorkliefd door een uitgestrekte arm, een aansteker klikt. Bert glimlacht kort. Zijn gezicht is grauw van vermoeidheid. De man naast hem wordt een stukje breder en knikt vol verstandhouding terug. “Taxi now? We go?”
Ik heb ook een sigaret die aanmoet, maar dat mag ik zelf regelen. De man houdt zijn volle aandacht bij Bert en werpt me af en toe schrijlings een blik toe alsof ik een concurrent ben die hij moet aftroeven.
Eigenlijk willen we nog even nergens heen. Eigenlijk willen we gewoon even hier staan, en een sigaretje roken.
Vijf minuten later zitten we in een gammele witte bak die bij elke beroering van de schakelpook een geluid maakt alsof hij een koppelingsplaat uit gaat braken. Onze chauffeur rijdt met één hand op de claxon. Hij draagt een grote bril met dikke glazen en hij buigt zo ver over het stuur dat zijn voorhoofd bijna de voorruit raakt.
Van alle kanten komt verkeer. De vierbaansweg wordt in beide richtingen zeven rijen dik gevuld met ontelbare brommers, auto's, bussen, vrachtwagens, fietsers, fietstaxi's, en mensen die daartussendoor de weg oversteken.
Een jongen met zeven volle kratten bier op zijn brommer, in twee stapels van vier- en driehoog achterop de buddyseat, manoeuvreert zich voor onze taxi. Een van rechts komende scooterrijder baant zich al toeterend een weg naar de andere kant van de kruising, driemeterlange aluminiumstrips verend op zijn schouder.
De chauffeur zet de auto aan de kant. Ondanks zijn grote bril kan hij de straatnaambordjes niet zo goed zien, dus hij vraagt voor de zekerheid bij iemand na of ons hotel hier ergens is.
Hij lacht opgelucht en wijst naar een steeg aan de overkant van de weg. Daar is het. Ergens. De stroom brommers, auto's, bussen, vrachtwagens, fietsers en fietstaxi’s schuift ononderbroken voorbij. Ik kijk om me heen, zoekend naar iets van een kruispunt, een zebrapad met verkeerslichten. De chauffeur wijst nadrukkelijk nog een keer naar de overkant van de straat.
Oké. Daar gaan we dan. Ik heb hierover gelezen. Het was iets met stug doorlopen en geen onverwachte bewegingen maken. Of was het gestaag doorlopen? Ik schrik van een brommer, spring opzij en beland bijna onder een auto. De taxichauffeur grijpt me bij mijn elleboog, steekt zijn hand op naar het tegemoetkomende verkeer en troont me mee naar de overkant.
“I’m sorry”, zeg ik.
“Yes”, zegt hij.
Ook Bert weet levend de overkant te bereiken. We banen ons een weg langs groente- en visverkopers die de straat als hun kraam gebruiken en slaan de steeg in, waar het ineens opvallend rustig is. Buurtbewoners staan gemoedelijk met elkaar te kletsen; achter de hekken van hun huizen zien we kleine keukens waarin scooters staan gestald. Aan het einde van de steeg ligt ons hotel.
“Helloooooo!”, roept een meisje dat met haar hoofd net boven de balie uitsteekt. “Welcome to Hello Hoteeeeel!”
Wordt vervolgd