Het moeilijkste onderdeel van rennen is je hardloopschoenen aandoen, zei een fanatieke hardloper eens tegen me.
Ik ga niet meer in discussie met dat soort mensen. Ze hebben ongelijk, vanzelfsprekend, want het moeilijkste onderdeel van rennen is ‘alles, met uitzondering van dat ene moment waarop het even heel makkelijk gaat’, maar tegen hardnekkige runner’s highs kun je niet op. Voor dit soort mensen is hardlopen geen hobby maar een passie, a way of life, iets waarvoor ze vrijwillig eiwitten stapelen en alcohol afzweren en op zondagochtend vroeg opstaan. Als ik ze vertel hoe ik het hardlopen doorgaans ervaar, adviseren ze me meestal oprecht om eens een andere hobby te proberen.
Wat die fanatieke hardloper bedoelde, denk ik, is dat het moeilijkste onderdeel het ‘beginnen met rennen’ is. Daar kan ik wel in meegaan. Alleen begint voor mij het rennen niet met mijn hardloopschoenen aandoen. Het begint met het voornemen van de training, gevolgd door een stevige discussie (met mezelf) waarin ik mij een aantal goede argumenten voorleg waarom ik het niet zou moeten willen. Deze discussie raast voort terwijl ik aan mijn sport-bh ruik om te bepalen of ie nog één keer kan, de apps op mijn telefoon probeer te negeren terwijl ik tegelijkertijd de hardloopapps moet aanzetten (die op hun beurt ook weer leuke nieuwe meldingen hebben die ik allemaal wil lezen), mijn veters strik, een demotiverend luchtje ruik, de straat uitjog. Pas na een of twee kilometer staakt het verzet en wordt het stil in mijn hoofd, om na drie kwartier in volle hevigheid terug te keren.
Al dat blijkt toch een lastig bruggetje naar: “Ik vind hardlopen heerlijk en ik word er ook heel rustig van.”
Maar ik vind hardlopen heerlijk, en ik word er ook heel rustig van.
Het Lukt Je Toch Niet
Ik begon op mijn 22e met hardlopen, gaf het op, begon op mijn dertigste opnieuw, gaf het op, waagde twee jaar later een nieuwe poging, strandde op acht kilometer, liep vier jaar heel sporadisch, en besloot op mijn 36e ineens om te gaan trainen voor een halve marathon. Dat was maart 2017. Ik zat aan mijn bureau aan het raam en keek naar alle hardlopers die voorbijkwamen, joggend langs de Vecht. Sommigen renden snel en gestroomlijnd, anderen strompelden in wijde t-shirts en met hoog opgetrokken schouders, de blik gepijnigd richting de grond recht voor hun voeten.
Ik keek naar hen omdat ik niet naar mijn laptop wilde kijken. Ik probeerde te schrijven, maar het lukte niet. Het lukte al tijden niet. Wel als het in opdracht voor een ander was, maar mijn eigen creatieve werk kwam steeds na enkele pagina’s of paragrafen tot stilstand. De mensen om me heen hadden niets door. “Jij kan goed schrijven,” vertelden ze me.
Wat heb je van me gelezen dan, vroeg ik, oprecht nieuwsgierig.
“Je blog,” zeiden ze.
Mijn Facebook-statusupdates, zo bleek.
Mijn Facebook was een grote hit. Onder intimi.
Ik had de halfslachtige aanzetten van een hoorspel, een aantal korte verhalen, een roman, daadwerkelijke blogs, maar elke keer als ik een document opende, wist ik niet meer hoe dat moest; schrijven.
“Misschien is schrijven niet echt wat je wilt,” begonnen mensen te zeggen; coaches, vrienden, collega’s aan wie ik bekende dat ik een schrijfloze schrijver was. “Misschien moet je accepteren dat je alleen op instructieniveau of vanuit een opdracht kunt schrijven. Het meer als een hobby zien. Jezelf minder druk opleggen. Minder moeten.”
Ik moest vooral een hele hoop niet, viel me op. Het maakte me erg defensief. Defensief en chagrijnig, want ik had er weinig tegenin te brengen. Er was voor niemand reden om aan te nemen dat schrijven mij iets opleverde.
Wat me ook opviel, was dat alle adviezen gingen over terugschakelen. Om mij heen adviseerde niemand om méér te gaan doen. Wel om iets te gaan doen, maar de associatie met ‘doelen stellen’ en ‘streven’ leek uit den boze. Introspectie, reflectie, acceptatie, een nieuwe vorm van zingeving aan het schrijven verbinden: daar begon het mee.
De schrijfboeken zeiden iets anders. Stephen King (Over Leven en Schrijven) schreef waar hij maar kon en wanneer hij maar kon, in de spaarzame vrije momenten die zijn drie rotbaantjes hem toestonden. Van Julia Cameron (The Artist’s Way) moest ik elke ochtend beginnen met drie pagina’s stream-of-consciousnessachtige dagboekteksten. Door de bank genomen kwamen de adviezen van de professionals neer op: sit your ass down and write.
Wat ik deed. En het zitten lukte prima.
Maar de woorden bleven uit.
Afzien
De comedyserie Brooklyn NineNine kent een aflevering waarin Terry, Amy en Gina een crashdieet volgen. Gina is er op dag vier nog heilig van overtuigd dat ze “gaat winnen”. “I’m gonna last forever”, zingt ze, om meteen de dag erop de handdoek in de ring te gooien voor een driedubbel belegde sandwich gevuld met mac ’n cheese. Wanneer ze daarop wordt aangesproken, zegt ze vrolijk: “Turns out, I gave up easy.”
Net als Gina geef ik vrij makkelijk op en meestal zonder al te veel scrupules; zeker als het iets in de regio ‘beperkingen qua hoeveelheden eten’ betreft, maar ook op het gebied van sport. Ik kan sporten best een beetje leuk vinden maar zo gauw het interfereert met mijn sociale leven, haak ik af. Je hebt mensen die ‘houden van afzien’ en ik blijf een beetje bij ze uit de buurt, want brrr, maar ze lijken wel iets elementairs te hebben begrepen wat bij mij maar weigert te landen. Namelijk dat een training iets anders is dan een prestatie, en dat ongemak inherent is aan groei.